afpakken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·pak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afpakken
pakte af
afgepakt
zwak -t volledig

Werkwoord

afpakken

  1. ontnemen, afnemen
    Nadat de man alweer dronken achter het stuur zat is hem zijn rijbewijs afgepakt.