minister

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·nis·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Van het Franse ministre, in de betekenis van ‘eerste staatsdienaar’ voor het eerst aangetroffen in 1698 [1].
  • [2] Leenwoord uit Latijn minister dienaar. [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord minister ministers
verkleinwoord ministertje ministertjes

Zelfstandig naamwoord

minister m

  1. (regering) (beroep) een persoon die deelneemt aan de regering van een land
    • De Tweede Kamer is bezorgd over het nieuws dat de Turkse regering weekendscholen wil financieren in Nederland. De VVD en de SP hebben Kamervragen gesteld aan minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken. Diens ministerie laat weten het Turkse initiatief niet als een probleem te zien. [3] 
     Ze heeft vele mooie herinneringen aan hem en toonde ons wel eens vol trots krantenartikelen en foto’s uit de tijd dat hij Minister van Oorlog en Marine was, tussen 1948 en 1950.[4]
  2. (religie) (verouderd) assistent of helper in de kerk
     De Wierookdrager, of de Minister over 't wierook. Deze legt een kleed over de gewyde dingen geduurende den Lofzang aan de H. Drieëenheit, en doet den Celebrant de gewyde kleederen aan.[5]
    1. (pregnant) (verouderd) voogd of geestelijk bestuurder van een klooster
     Schep. v. M. verklaren, dat Katharina, de weduwe van Theodericus de Happenart, voller, wonende op de Munt en hare kinderen Johannes, Theodericus, Nicholaus en Katharina de mark jaarlijksche rente, waarvan gewaagd wordt inde brieven waardoor deze gestoken is, overgedragen hebben aan broeder Nicolaus, minister van het klooster der Franciscanen aldaar (minister conventus dicte tertie regule in Traiecto) en onder verband van al hunne goederen beloofd hebben die overdracht te zullen doen goedkeuren door hunne dochter en zuster Christina, dum ad annos mature etatis pervenerit.[6]
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Aankomend minister van Buitenlandse Zaken.

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "minister" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. minister op website: Etymologiebank.nl
  3. Tubantia 10-08-18 Zorgen in Tweede Kamer over Turkse scholen in Nederland
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink Weblink bron Bernard Picart Derde hoofdstuk. Handelende over den Rang der Raden en Ministers van den Patriarch in het waarnemen der Patriarchale plichten. in: Abraham Moubach (vert.) Naaukeurige beschryving der uitwendige godtsdienst-plichten, kerk-zeden en gewoontens van alle volkeren der waereldt., Deel 5 (1736), Hermanus Uytwerf, Amsterdam / Jan Daniel Beman, Rotterdam / Isaak van der Kloot, Den Haag, p. 74 op dbnl.org op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 16-10-2022 Weblink bron s.n. “Schepenbrieven van het kapittel van St. Servaas te Maastricht.”, Eerste deel, van 1257 tot 1375 (1902), Dr. P. Doppler (vertaler), Maastricht, p. 198 op Delpher.nl op Wikipedia
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

enkelvoud meervoud
minister ministers

Zelfstandig naamwoord

minister

  1. (regering) minister
  2. (regering) gezant
  3. (religie) priester (in de Protestantse Kerken)
  4. (formeel) dienaar
Afgeleide begrippen


Pools

Zelfstandig naamwoord

minister

  1. (regering) minister