minister

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mi·nis·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse minister (dienaar).
enkelvoud meervoud
naamwoord minister ministers
verkleinwoord ministertje ministertjes

Zelfstandig naamwoord

minister m

  1. (regering) een persoon die deelneemt aan de regering van een land
Uitdrukkingen en gezegden

Aankomend minister van Buitenlandse Zaken.

Vertalingen


Engels

enkelvoud meervoud
minister ministers

Zelfstandig naamwoord

minister

  1. (regering) minister
  2. (regering) gezant
  3. (religie) geestelijke
  4. (formeel) dienaar


Pools

Zelfstandig naamwoord

minister

  1. (regering) minister