lot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lot
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord lot loten
verkleinwoord lootje lootjes
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord lot -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lot o

  1. toevalskans of teken daarvan
    • Hij heeft een aantal loten in de staatsloterij gekocht. 
  2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
    • Zij lieten hem aan zijn lot over. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie