hopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: hopen
Oudnederlands: hopon
Germaans: *hupōnan [1]
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: hope (Angelsaksisch: hopian), Duits: hoffen, Fries: hoopje (Oudfries: hopia)
Noord: Zweeds: hoppas, Deens: håbe, Noors: håpe, (Oudnoords: hopast)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hopen
/ˈɦoːpə(n)/
hoopte
/ˈɦoːptə/
gehoopt
/ɣəˈɦoːpt/
zwak -t volledig

Werkwoord

hopen

  1. overgankelijk wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
    • Hij hoopte dat hij zijn proefwerk had gehaald. 
Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

hopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hoop

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen