noodlot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·lot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodlot -
verkleinwoord noodlotje noodlotjes

Zelfstandig naamwoord

noodlot o

  1. iets vervelends wat een mens overkomt, waar geen oorzaak voor is en waar niets aan te doen is
    • Het was blijkbaar zijn noodlot om in die maalstroom terecht te komen. 
    • Hij wist heus wel dat hij vooral uit een soort bijgeloof de komende wapenstilstand niet serieus wilde nemen: hoe meer je hoopt op vrede, hoe minder geloof je eraan hecht als die wordt aangekondigd, om zo het noodlot te bezweren. [2] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. noodlot op website: Etymologiebank.nl
  2. Lemaitre, Pierre Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 11