loot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loot
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘boomscheut’ voor het eerst aangetroffen in 891 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord loot loten
verkleinwoord lootje lootjes

Zelfstandig naamwoord

loot v / m [3]

  1. (plantkunde) nieuw uitgelopen twijg
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
loten

loot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van loten
  2. gebiedende wijs van loten

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

vervoeging
onbepaalde wijs to loot
he/she/it loots
verleden tijd looted
voltooid
deelwoord
looted
onvoltooid
deelwoord
looting
gebiedende wijs loot

Werkwoord

loot

  1. plunderen