Naar inhoud springen

heen

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: héen
  • heen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     heen  
 persoonlijk     erheen  
aanwijz.  nabij     hierheen  
  veraf     daarheen  
  vragend/betrekk.     waarheen  

heen

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: weg
  2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord: in de richting van, naartoe
    • erheen: Hij ging er snel heen. 
  3. scheidbaar deel van sommige bijwoorden en voorzetsels, bijvoorbeeld overheen, achterheen
    • Hij reed over de brug heen. 
     Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.[7]
  4. ~ en weer: in een bepaalde richting en weer terug
    • De schommel ging heen en weer en de kinderen genoten. 
  • Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heen
als twee personen ruzie hebben of er niet uit komen, kan een derde daarvan profiteren
  • Door de zure appel heen bijten
beginnen met een lastig/vervelend karwei
  • Op hoge poten ( of benen) ergens heen gaan
Stoett-1864 [8]
  • Over zijn eigen schaduw heen springen
enkelvoud meervoud
naamwoord heen henen
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

hetheeno

  1. (bloemplanten) grasachtige soort, Bolboschoenus maritimus op Wikispecies in de familie van de cypergrassenfamilie (Cyperaceae op Wikispecies). De soort komt voor in gematigde en warme streken van Australië, Oost-Canada, Azië, Afrika en Europa. Ze is ingeburgerd in Noord- en Zuid-Amerika. In Vlaanderen en Nederland is heen algemeen in de kuststreek, in polders en langs rivieren
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[9]
  • [zn 1] heen in het Nederlands Soortenregister N
  • [zn 1] heen op Wikidata op Wikidata
  • [zn 1] heen op "Wilde planten in Nederland en België"