heen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     heen  
 persoonlijk     erheen  
aanwijz.   nabij     hierheen  
  veraf     daarheen  
  vragend/betrekk.     waarheen  


Bijwoord

heen [1]

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: weg [2]
    • Heengaan - hij ging heen. 
  2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord: in de richting van, naartoe
    • Erheen - hij ging er snel heen. 
  3. scheidbaar deel van sommige bijwoorden en voorzetsels, bijvoorbeeld overheen, achterheen
    • Hij reed over de brug heen. 
  4. ~ en weer: in een bepaalde richting en weer terug
    • De schommel ging heen en weer en de kinderen genoten. 
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord heen henen
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord

heen

  1. (plantkunde) Bolboschoenus maritimus op Wikispecies een grasachtige soort binnen de familie van de Cypergrassen (Cyperaceae op Wikispecies) [3] [4]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandse taal