heenlopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heen·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
heenlopen
liep heen
heengelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

heenlopen

  1. ergatief de betreffende plaats lopend verlaten
    • Hij is toen maar hoofdschuddend heengelopen. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.