ingeburgerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ge·bur·gerd
Woordherkomst en -opbouw

Deelwoord

deelwoord
onverbogen ingeburgerd
verbogen ingeburgerde
vervoeging van
inburgeren

ingeburgerd voltooid deelwoord van inburgeren

  1. vormt de voltooide tijden
    • Hij heeft zich ingeburgerd. 
    • Hij is volledig ingeburgerd. 
  2. vormt een ergatieve constructie met het hulpwerkwoord raken
    • Zo raakt dat woord na enige tijd ingeburgerd. 
  3. attributief gebruikt
    • De in Nederland volledig ingeburgerde man zat hoofdschuddend naar het nieuws uit Turkije te kijken. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ingeburgerd ingeburgerder ingeburgerdst
verbogen ingeburgerde ingeburgerdere ingeburgerdste
partitief ingeburgerds ingeburgerders -

Bijvoeglijk naamwoord

ingeburgerd

  1. algemeen aanvaard, in gebruik geraakt

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.