Naar inhoud springen

gister

Uit WikiWoordenboek
  • gis·ter

gister

  1. de laatste dag die voltooid is, aanduiding van de dag die onmiddellijk voorafgaat aan vandaag
    • Hij kwam gister langs. 
  • "Gisteren" is standaardtaal in het hele taalgebied. In Nederland wordt in gesproken taal en informele geschreven taal ook vaak "gister" gebruikt. Een niet te verwaarlozen groep taalgebruikers keurt het woord in verzorgde schrijftaal af. [1]
86 %van de Nederlanders;
54 %van de Vlamingen.[2]
  1. Bronlink geraadpleegd op 22 juli 2025 Weblink bron “Gister / gisteren” op taaladvies.net
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • IPA: /ɣɪstɐ(r)/ (Etsbergs)

gister

  1. gister

gister o

  1. de vorige dag.
    «Dae koom 'd gistere
    Hij kwam de vorige dag.