gestern

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • ges·tern

Bijwoord

gestern

  1. (tijdrekening) gisteren
    «Gestern sind wir um halb neun Uhr schlafen gegangen.»
    Gisteren waren we gaan slapen om half negen uur.
Verwante begrippen