gerecht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·recht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gerecht gerechten
verkleinwoord gerechtje gerechtjes

Zelfstandig naamwoord

gerecht o

  1. (kookkunst) een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid [1] [2]
    • Welk gerecht staat er vanavond op het menu? 
  2. (juridisch) rechtbank, de rechter [3] [4]
    • Hij moest voor het gerecht verschijnen. 
  3. (geschiedenis), (juridisch) lokale bestuursvorm
    • Aan de westzijde van het gerecht Oostveen bevonden zich respectievelijk de soortgelijke uitgestrekte gerechten.[5] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rechten

gerecht

  1. voltooid deelwoord van rechten [6]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gerecht gerechter gerechtst
verbogen gerechte gerechtere gerechtste
partitief gerechts gerechters -

Bijvoeglijk naamwoord

gerecht [7] [8]

  1. rechtvaardig
    • hij zal zijn gerechte straf niet ontlopen 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen


Duits

Bijvoeglijk naamwoord

gerecht

  1. rechtvaardig