gericht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·richt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gericht gerichten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gericht o [1]

  1. (juridisch) (formeel) gerecht, rechtbank, de rechter
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gericht gerichter gerichtst
verbogen gerichte gerichtere gerichtste
partitief gerichts gerichters -

Bijvoeglijk naamwoord

gericht

  1. een bepaald doel hebbend
    • Door de gerichte actie van de politie werden veel dronken autobestuurders van de weg gehaald. 
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van richten: de stam met omvoegsel ge- -t, zonder -t omdat de stam al op -t eindigt

Deelwoord

bevestigend
deelwoord
ontkennend
deelwoord
onverbogen gericht ongericht
verbogen gerichte ongerichte
vervoeging van
richten

gericht voltooid deelwoord van richten

  1. vormt de voltooide tijden
    • Heb je wel eens een geweer op iemand gericht? 
  2. vormt de lijdende vorm
    • Alle sollicitaties kunnen gericht worden aan het volgende adres. 
  3. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    • Alle ogen zijn op hem gericht. 
  4. attributief gebruikt
    • Het was een gerichte aanval op het leiderschap van het land. 
  5. bijwoordelijk gebruikt
    • Een sollicitatiebrief, gericht aan het dagelijks bestuur, zien wij graag uiterlijk 10 dagen na het verschijnen van dit blad in de brievenbus. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen