eigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van Oudnederlands *eigan, voltooid deelwoord van het werkwoord *eigan ('bezitten'), van Germaans *aiganan. [1]
stellend
onverbogen eigen
verbogen eigen
partitief eigens

Bijvoeglijk naamwoord

eigen

  1. op zichzelf betrekking hebbend
    Eigen huis.
    Vakantie in eigen land.
  2. typisch (voor)
    Experimenteren is eigen aan de leeftijd.
    Iedere streek heeft iets eigens.
Opmerkingen
  • Net als voltooide deelwoorden op -en krijgt "eigen" geen buigings-e als bijvoeglijk naamwoord, gesubstantiveerd kan het dat wel krijgen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De hand in eigen boezem steken
De schuld bij zichzelf zoeken
  • De splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigen
over kleine fouten van een ander vallen, terwijl de eigen grote fouten niet worden gezien
  • Een koekje van eigen deeg geven/krijgen
behandelt worden zoals je anderen behandelt
  • eigen haard is goud waard.
het is nergens zo mooi als thuis; men hecht veel waarde aan het eigen bezit
  • eigen roem (lof) stinkt
door over jezelf op te scheppen maak je een nare indruk
  • Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
men moet zich niet zorgen maken over de toekomst
  • Het heft in eigen hand(en) nemen
de leiding nemen
  • Iemand in zijn eigen vet gaar smoren/laten koken
iemand niet helpen, maar zelf diens situatie laten ondervinden
  • Nog niet op eigen benen kunnen staan
nog niet zichzelf volledig zelfstandig kunnen redden
  • Op eigen houtje
  • Op eigen wieken drijven
zich volledig kunnen redden van het geld dat iemand verdient
  • Over zijn eigen schaduw heen springen
  • Zijn eigen boontjes wel kunnen doppen
Menen dat men andermans hulp niet nodig heeft
  • Zijn eigen glazen ingooien
het voor zichzelf bederven
  • Zijn eigen graf graven/delven
het voor zichzelf bederven
  • Zijn eigen nest bevuilen
vervelende dingen over de eigen familie zeggen
  • Zijn eigen straatje vegen
zijn eigen werk doen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
eigenen

eigen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
    Ik eigen.
  2. gebiedende wijs van eigenen
    Eigen!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
    Eigen je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl