Naar inhoud springen

eigendom

Uit WikiWoordenboek
  • ei·gen·dom
  • In de betekenis van ‘wat men zijn eigen mag noemen’ voor het eerst aangetroffen in 1268 [1]
  • Afgeleid van eigen met het achtervoegsel -dom.
enkelvoud meervoud
naamwoord eigendom -
verkleinwoord - -

eigendom m/o [2]

  1. (juridisch) het recht op de heerschappij over een zaak, de omstandigheid dat een zaak iemand toebehoort
     Immers, was het niet zo dat inbreuken op en beperkingen van vrijheid en eigendom van de burger slechts konden plaatsvinden bij wet, volgens de idealen van de Franse Revolutie en de denkbeelden van de Verlichtingsfilosofen? Uiteindelijk werd de kwestie door de Hoge Raad in het voordeel van de wetgever opgelost.[3]
enkelvoud meervoud
naamwoord eigendom eigendommen
verkleinwoord eigendommetje eigendommetjes
  1.  In deze natuurtoestand mogen mensen zichzelf en anderen beschermen en inbreuken op eigendom bestraffen.[3]

heteigendomo [4]

  1. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]