eigenlijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·gen·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eigenlijk eigenlijker eigenlijkst
verbogen eigenlijke eigenlijkere eigenlijkste
partitief eigenlijks eigenlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

eigenlijk [1]

  1. oorspronkelijk.
    • De eigenlijke bedoeling was om de kamer te versieren, maar er was geen tijd meer. 
  2. echt, waar.
    • Wat is nu je eigenlijke bedoeling, want dat begrijp ik nog steeds niet goed. 
    • Overwegende dat, voor het overige, niets zich ertegen verzet dat de procureur des Konings in het kader van een opsporingsonderzoek het advies vraagt aan een arts; dat de aldus verstrekte inlichtingen geen eigenlijk deskundigenverslag betreffen, maar wel een verslag van een door het openbaar ministerie buiten de gevallen bepaald door de artikelen 32 tot 46, Wetboek van Strafvordering, aangestelde raadgever; (…) [2]
Vertalingen

Bijwoord

eigenlijk

  1. als ik er nu nog eens over nadenk
    • Dat is toch eigenlijk heel vreemd verlopen. 
  2. echt, waar, in werkelijkheid.
    • Het gaat eigenlijk niet zo goed met hem, maar hij is bang voor de dokter. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen