eerlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eer·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eerlijk eerlijker eerlijkst
verbogen eerlijke eerlijkere eerlijkste
partitief eerlijks eerlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

eerlijk

  1. (juridisch) vrij van leugen en bedrog
    • Wees eerlijk en vertel de waarheid! 
  2. op een gepaste, eervolle wijze
    • Opdat het spel eerlijk zou verlopen, hield een opzichter hen in de gaten. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Eerlijk(heid) duurt het langst.

  • Uiteindelijk word bedrog toch gestraft.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie