droogdoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • droog·doek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord droogdoek droogdoeken
verkleinwoord droogdoekje droogdoekjes

Zelfstandig naamwoord

droogdoek m

  1. (huishouden) een doek waarmee men kan afdrogen
    • Pak je een droogdoek, dan kan je helpen afdrogen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie