drogers

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dro·gers

Zelfstandig naamwoord

drogers mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord droger

Bijvoeglijk naamwoord

drogers

  1. partitief van de vergrotende trap van droog