drogen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
drogen drogend
droging gedroogd
droogte
Uitspraak
Woordafbreking
  • dro·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
drogen
droogde
gedroogd
zwak -d volledig

Werkwoord

drogen

  1. (overgankelijk) vocht laten of doen verdampen
    We hebben deze bloemen gedroogd.
  2. (ergatief) het verdampingsproces van vocht
    De was hangt te drogen.
Vertalingen
Vertalingen