droger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dro·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord droger drogers
verkleinwoord drogertje drogertjes

Zelfstandig naamwoord

droger m

  1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
    • Gooi dat natte goed maar in de droger! 
Hyponiemen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

droger

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van droog

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie