drang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drang
enkelvoud meervoud
naamwoord drang -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

drang m

  1. innerlijke neiging om iets te doen
    • Hij voelde een sterke drang om zich te bemoeien met de discussie, maar deed het toch niet. 
     Even iets heel anders: waar komt die drang om te lopen vandaan?[1]
  2. het dringen
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ðṛɑŋ(g)/ (Etsbergs)

Bijvoeglijk naamwoord

drang

  1. smal
    «Dae drange vaarwaeg zörg ömmer veur väöler sjeepssjaaj doearcher bótsinger.»
    Dat smalle kanaal zorgt altijd voor veel schade aan schepen door botsingen.
  2. strak
    «Dooch tich dien sjoon get dranger aan. Zoea vallentj 'ie dich oet.»
    Trek je schoenveters wat strakker aan. Zo gaan ze los.
  3. nauw
  4. benauwd

Zelfstandig naamwoord

drang m

  1. benauwdheid
    «Mid dees hèts bekóm ich drang
    Met deze hitte krijg ik last van benauwdheid.
Verbuiging