neiging
Uiterlijk
- nei·ging
- Naamwoord van handeling van neigen met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | neiging | neigingen |
| verkleinwoord | neiginkje | neiginkjes |
de neiging v
- het onbewust graag op een bepaalde manier gedragen
- Hij heeft soms de neiging om weg te dromen.
- Ik heb zelf de neiging om voor het andere te kiezen.
- ▸ Ze greep de reling vast, vechtend tegen de neiging om te springen, zich in het kolkende water te laten vallen.[1]
- ▸ Ik heb de neiging om haar hand te pakken en mijn hoofd op haar schouder te leggen.[2]
- Het woord neiging staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "neiging" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be