impuls

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘prikkel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord impuls impulsen
verkleinwoord impulsje impulsjes

Zelfstandig naamwoord

impuls m

  1. innerlijke drang, opwelling bijv. een driftimpuls, dwangimpuls
    • Meestal wint de ratio het over de dierlijke impuls. 
  2. (natuurkunde) een vector wiens lengte gelijk is aan het product van massa en snelheid
  3. stimulering, een duw in de rug bijv. een groei-impuls, kwaliteitsimpuls
    • Dalende olieprijzen zouden de Nederlandse economie een positieve impuls kunnen geven. 
  4. (elektrotechniek) kortstondige elektrische spanning of stroom (de ideale puls is oneindig kort en heeft een energieinhoud van één)
  5. (medisch) wat door een zenuw als gevolg van een prikkel overgebracht wordt, zenuwprikkel
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen