strak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strak
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen strak strakker strakst
verbogen strakke strakkere strakste
partitief straks strakkers -

Bijvoeglijk naamwoord

strak

  1. nauwzittend, zonder plooien, glad
    • Ze draagt een wit T-shirt boven een strakke spijkerbroek. 
    • Met een strak gezicht houdt hij vol dat hij het niet gedaan heeft. 
  2. streng, zonder uitzonderingen
    • In zijn huis gelden strakke regels. 
    • De sporter werkt volgens een strak schema. 
  3. zonder franje, recht toe recht aan
    • Die kunststroming wordt gekenmerkt door functionaliteit en strakke vormgeving. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.