dringendheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drin·gend·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dringendheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dringendheid v

  1. het op korte termijn noodzakelijk zijn
     Uit een evaluatie blijkt onder meer dat steden met veel arbeidsmigranten vaak meer de noodzaak en dringendheid inzien van goede huisvesting dan de buurgemeenten.[1]
     'Gezien de dringendheid wordt de zaak meteen doorgestuurd naar de beroepscommissie van de UEFA', meldt de federatie. Op dinsdag 13 augustus wordt de zaak bestudeerd in het hoofdkwartier van de UEFA in Nyon.[2]
     Zo hebben noch de Spaanse inlichtendiensten, noch Staatsveiligheid 'een mate van dringendheid of belang gegeven aan de verwerking van de informatie in de zaak el-Khazzani.'[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Spies niet gerust op behuizing arbeidsmigrant” (25-09-2012), Tubantia
  2. Bronlink Weblink bron “Uitsluiting CL dreigt voor Metalist wegens omkoping” (06-08-2013), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron David van der Heeden“Belgische inlichtingendienst kende dader aanslag Thalys al sinds 2012” (25-11-2017), Tubantia