ontdekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·dek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontdekken
ontdekte
ontdekt
zwak -t volledig

Werkwoord

ontdekken

  1. overgankelijk ergens achter komen
    • Hij had ontdekt dat de band in een dag leegliep. 
    • `Het klinkt je misschien een beetje vreemd in de oren,' zei hij, 'maar dat laatste kan ik je niet vertellen. Dat is iets wat je helemaal alleen moet gaan ontdekken. Daarom moet je mij verlaten en op reis gaan. Weg uit Betonstad. Je mag niets anders meenemen dan wat ik je nu zal geven.' [1] 
  2. (verouderd) weghalen van een bedekking[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 16
  2. S.C. Dik en J.G. Kooij (1972). Beginselen van de algemene taalwetenschap, p. 32. Uitg.: Het Spectrum, ISBN 9027451346.