Naar inhoud springen

deksel

Uit WikiWoordenboek
pan met deksel
  • dek·sel
enkelvoud meervoud
naamwoord deksel deksels
verkleinwoord dekseltje dekseltjes

deksel m of o

  1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
    • Ligt het deksel op de pan? 
     Ze keek me kort aan, terwijl ze het metalen deksel van de schaal lichtte, waar een citroenschuimtaart onder bleek te zitten.[2]
     Ze draaide de deksel van het potje en pakte er een crèmekleurige capsule uit.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]

deksel

  1. deksel; een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken

deksel

  1. deksel; een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken

deksel

  1. deksel; een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken

deksel

  1. deksel; een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken

deksel

  1. deksel; een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken