afdekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdekken
dekte af
afgedekt
zwak -t volledig

Werkwoord

afdekken

  1. (overgankelijk) iets over iets anders heen plaatsen
    We hebben de aardbeiplantjes afgedekt tegen de vorst.
  2. iemand beschermen tegen een aanval
    De minister werd afgedekt door zijn collega's.
Afgeleide begrippen
Vertalingen