afdekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdekken
dekte af
afgedekt
zwak -t volledig

Werkwoord

afdekken

  1. overgankelijk iets over iets anders heen plaatsen
    • We hebben de aardbeiplantjes afgedekt tegen de vorst. 
  2. iemand beschermen tegen een aanval
    • De minister werd afgedekt door zijn collega's. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.