buurtvader

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buurt·va·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurtvader buurtvaders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buurtvader m

  1. een man die als vrijwilliger toezicht houdt op jongeren in de wijk ter bevordering van de veiligheid, verminderen van de overlast en verbeteren van de leefbaarheid
    • Dat is niet de eerste keer, want Veldhuizen heeft een onrustig verleden. Ook in 2008 en 2009 veroorzaakten jongeren problemen. Stadsvernieuwing - de sloop van enkele flats en de bouw van nieuwe woningen - en actief jongerenwerk hebben de wijk van zo’n 18.000 inwoners de laatste jaren verbeterd, zegt een woordvoerder van de gemeente. Dat beaamt een man van Marokkaanse komaf op straat, die vertelt dat hij jaren geleden weleens hielp als een soort buurtvader. De kinderen zijn nu volwassen, zijn naam wil hij liever niet in de krant. Hij schudt het hoofd over het gedrag van de jongeren. Het café, zoals hij het theehuis noemt, zorgde voor zicht op de groep. „Misschien moet er iets nieuws komen.”[1] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. NRC Michiel Dekker 6 mei 2016