buigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
buigen
boog
gebogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

buigen

  1. (overgankelijk) krommend vervormen
    Hij boog het ijzer.
  2. (inergatief) een buiging maken
    Hij boog diep bij de begroeting van de hoge gast.
  3. (wederkerend) zich ~ over: aandacht besteden aan iets
    De regeringen zullen zich diep moeten buigen over de problemen ontstaan in de economie.
  4. een bocht maken
    De weg boog naar rechts.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: zich buigen over...
aandacht schenken aan...
Vertalingen

Meer informatie