buigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
buigen
boog
gebogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

buigen

  1. overgankelijk krommend vervormen
    • Hij boog het ijzer. 
  2. inergatief een buiging maken
    • Hij boog diep bij de begroeting van de hoge gast. 
  3. wederkerend zich ~ over: aandacht besteden aan iets
    • De regeringen zullen zich diep moeten buigen over de problemen ontstaan in de economie. 
  4. een bocht maken
    • De weg boog naar rechts. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: zich buigen over...
aandacht schenken aan...
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie