buiging

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buiging buigingen
verkleinwoord buiginkje buiginkjes

Zelfstandig naamwoord

buiging v

  1. buiging (beweging), knikkende beweging met het lichaam om een persoon van hoge status te begroeten; artiesten maken na een optreden meestal een buiging naar het publiek.
    Rosanne van Dijk (8 jaar) uit het dorp Wadenoijen in Gelderland ontdekte deze ‘meneer’ langs een sloot. „Hij maakt een beleefde buiging naar alle fietsers die voorbij komen. Hij neemt ook netjes zijn hoed af. Maar hij moet wel een keer naar de kapper.” Of naar de knotter? Maar zo te zien duurt het nog wel even voor die weer langs komt.[2]
  2. buiging (mechanica), het ombuigen van een materiaal.
  3. buigen (schaatsen)
  4. plié, specifiek soort balletbuiging.
  5. diffractie, een belangrijk aspect van golfverschijnselen, waarvan licht en geluid de belangrijkste voorbeelden zijn.
    De corona ontstaat, zoals gezegd, door buiging van licht langs waterdruppeltjes. Buiging as such wordt verklaard door de golftheorie van het licht die Huygens opstelde. Buigingsverschijnselen zijn het makkelijkst op te wekken, en ook te begrijpen, als licht door heel kleine gaatjes of spleten kan vallen. De Fransman Jacques Babinet bedacht twee eeuwen geleden dat buiging om ondoorzichtige bolletjes dezelfde verschijnselen opwekt als de buiging van licht door ronde gaatjes van dezelfde diameter. Zo kwam Minnaert ertoe zijn lezers op te roepen zelf eens een buigingsproefje te doen. Het is de simpelheid zelve.[3]
  6. declinatie (taalkunde), het veranderen van vorm van naamwoorden.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. NRC 18 juni 2016
  3. Karel Knip NRC 3 oktober 2015