afbuigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bui·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbuigen
boog af
afgebogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

afbuigen

  1. overgankelijk van richting veranderen
    • De laserbundel werd bij binnentreden van de vloeistof enige graden afgebogen. 
     Goed voor de spijsvertering, zoals mijn oma altijd zei. ’Ze volgden het pad dat naar rechts afboog.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be