afbuigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bui·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbuigen
boog af
afgebogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

afbuigen

  1. overgankelijk van richting veranderen
    De laserbundel werd bij binnentreden van de vloeistof enige graden afgebogen.
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.