boog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Boog (4)
Bogen (3)
Boog (2)
Boog (1)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boog bogen
verkleinwoord boogje boogjes

Zelfstandig naamwoord

boog m

  1. een wapen waarmee een pijl weggeschoten kan worden -> handboog
  2. (wiskunde) een cirkelboog
  3. (bouwkunde) een deel van een bouwwerk (vgl. spitsboog, triomfboog)
  4. een vlamboog
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bogen

boog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bogen
    Ik boog.
  2. gebiedende wijs van bogen
    Boog!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bogen
    Boog je?

Werkwoord

vervoeging van
buigen

boog

  1. enkelvoud verleden tijd van buigen
    Ik boog.
    Jij boog.
    Hij, zij, het boog.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

boog o

  1. (verouderd) schouder.
Verbuiging