plooien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
plooien plooiend
plooiing plooibaar
plooisel -
Uitspraak
Woordafbreking
  • plooi·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plooien
plooide
geplooid
zwak -d volledig

Werkwoord

plooien

  1. (overgankelijk) iets in losse vouwen opstapelen
    Vouw de pijpen netjes over elkaar en plooi de broek over de hanger.[1]
  2. (overgankelijk) rimpelen van het gezicht, veranderen van gezichtsuitdrukking
    Hij plooit zijn gezicht in een grijns.
  3. (overgankelijk) geschikt maken, vormen, ombuigen
    Sinds mijn overstap kan zij haar baan plooien rond mijn regelmatige bestaan als docent.[2]
  4. (wederkerend) zich schikken naar
    De taal plooit zich voortdurend naar de veranderende omstandigheden.
    Opvallend gewillig plooit hij zich in die rol.
Uitdrukkingen en gezegden
  • schikken en plooien
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Strijken : Hoe kiezen?
  2. Volkskrant 17-03-2010

Zelfstandig naamwoord

plooien mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord plooi