bedreigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bedreigen bedreigend
bedreiging
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·drei·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedreigen
bedreigde
bedreigd
zwak -d volledig

Werkwoord

bedreigen

  1. overgankelijk iemand bang maken
    • Hij bedreigde hem met een mes. 
  2. een gevaar zijn
    • De lekkende kerncentrale dreigde een milieuramp te veroorzaken. 
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.