flous

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
flous
geflous
volledig

Werkwoord

flous

  1. overgankelijk bedriegen, om de tuin leiden
    «Maar daar is natuurlik ook verskillende ander vernuftige maniere waarop insekte hul roofvyande flous
    Maar er zijn natuurlijk ook verschillende andere vernuftige manieren waarop insecten hun vijanden om de tuin leiden.