bedroog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·droog

Werkwoord

vervoeging van
bedriegen

bedroog

  1. enkelvoud verleden tijd van bedriegen
    • Ik bedroog. 
    • Jij bedroog. 
    • Hij, zij, het bedroog. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.