uitnodigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·no·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitnodigen
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
nodigde uit
/'no.dəɣ.də 'ʔʌʏt/
uitgenodigd
/'ʌʏt.xə.no.dəxt/
zwak -d volledig

Werkwoord

uitnodigen

  1. (overgankelijk) iemand verzoeken iets bij te wonen
    Hij nodigde hen uit voor een belangrijke bijeenkomst.
Vertalingen