naderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
naderen
naderde
genaderd
zwak -d volledig

Werkwoord

naderen (niet-wederkerend (niet-reflexief) werkwoord)

  1. in aantocht zijn; dichterbij komen
    • Wie de stad nadert, valt meteen de imposante kerktoren op. 
    • De grote dag begint te naderen .
     Het was herfst en de winter naderde.[1]
     Af en toe reden groen-witte pick-uptrucks van de grenspolitie ons tegemoet omdat we de Mexicaanse grens naderden.[1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • iemand benaderen
contact met iemand opnemen, aanspreken
  • toenadering zoeken
de verstandhouding trachten te verbeteren
  • een naderend onheil
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be