toucher

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tou·cher
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toucher touchers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

toucher o

  1. (muziek) manier waarop de bespeler van een muziekinstrument snaren of toetsen aanraakt voor zover die van invloed is op de klank van de muziek
    • Het is bekend dat het groot historisch orgel te Alkmaar zwaar is om te bespelen, zeker met gekoppelde klavieren. Maar met het juiste armgewicht en een goed toucher is het niet onmogelijk. [2]
    • Zijn pianospel betoverde, zijn toucher was onweerstaanbaar. [3]
    • Mevr. Laskine heeft altijd nog die kwasi oneindig genuanceerde gevoeligheid in de vingertoppen en in de palm der handen (te vergelijken met de verfijnde sensibiliteit van blinden), welke haar toucher uniek maakt en de harp het meest melodieuze, het expressiefste der instrumenten; (…) [4]
  2. (medisch) betasting met de wijsvinger in een opening van het onderlichaam
    • Mijn montere patiënt, de oude Gé,
      zit even vaak voor 't raam als op de plee:
      prostaatvergroting blijkens het toucher,
      met stuwing in het urinaal tracé,(…)
       [5]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
toucher
touchais
touché
eerste groep volledig

Werkwoord

toucher

  1. aanraken
  2. (spreektaal) scoren, drugs kopen
    «Est-ce que tu sais où toucher
    Weet jij waar we drugs kunnen krijgen?. [1]
  3. (spreektaal) ontvangen
    «Margot touche 10.000 balles pour ce boulot à la con.»
    Margot krijgt 10.000 piek voor dat klotewerk.

se toucher

  1. wederkerend (spreektaal) masturberen [1]
  2. (spreektaal) zich illusies maken, dromen
    «Tu crois que tu pourras te payer cette bagnole? Tu te touches, je crois!»
    Denk je echt dat je die wagen kan betalen? Je droomt, geloof ik! [1]

Verwijzingen