Naar inhoud springen

aangekomen

Uit WikiWoordenboek
  • aan·ge·ko·men
vervoeging van: aankomen…
verbogen vorm: aangekomene

aangekomen

  1. voltooid deelwoord van aankomen
     Sinds ik vijf jaar daarvoor per schip uit Trinidad in Engeland was aangekomen, had ik op veel banen gesolliciteerd zonder ooit een reactie te krijgen. Toen de trein uit Southampton Waterloo Station in was gereden, had Cynth de schoorstenen van huizen aangezien voor die van fabrieken, de belofte van werk in overvloed. Het was een belofte die maar moeizaam werd ingelost. Ik fantaseerde vaak dat ik ontslag nam bij Dolcis en had zelfs een keer gereageerd op een advertentie van een grote krant die een koffiejuffrouw zocht.[1]
     Om kwart over zeven 's ochtends gaf hij het op en zette koffie. Buiten was het nog donker. Een paar straten verderop loeide een auto om hulp. Hij zette de verwarming aan, pakte een boek en las het verhaal van een man die op zoek was naar een onsterfelijk volk. Hij was op het punt aangekomen waar de man, die geruime tijd in een labyrint had gezworven, de uitgang van de dwaling en de ingang tot het rijk der onsterfelijken had gevonden.[2]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Safae el Khannoussi
    “Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim op Wikipedia, ISBN 9789493339125