Naar inhoud springen

aai

Uit WikiWoordenboek
koningin Beatrix geeft een koe een aai
  • aai
enkelvoud meervoud
naamwoord aai aaien
verkleinwoord aaitje aaitjes

deaaim

  1. streling, liefkozing waarbij je met je hand over de huid van een ander strijkt
    • Haar moeder gaf haar een aai over haar hoofd 
    • Maar de ouderwetse aai, de letterlijke schouderklop of de borstkroel vinden alle honden véél belangrijker. Ze zijn ouderwets. [3] 
     Ze geeft Jochie een aai over haar bol en verlaat het huis.[4]
     Ik begin met haar benen en aai haar met lange streken, van haar voeten tot aan haar heupen, en terug van haar dijbenen tot aan haar voeten.[5]
  2. (informeel) (spottend) pijnlijke slag
vervoeging van
aaien

aai

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaien
    • Ik aai. 
  2. gebiedende wijs van aaien
    • Aai! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaien
    • Aai je? 
99 %van de Nederlanders;
94 %van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. aai op website: Etymologiebank.nl
  3. NRC Frans van der Helm 14 september 2016
  4. “Onder buren” (2021), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026356186
  5. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
aai
geaai
volledig

aai

  1. aaien

aai!

  1. ach, ai !

aai

  1. ei