aai

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aai
enkelvoud meervoud
naamwoord aai aaien
verkleinwoord aaitje aaitjes

Zelfstandig naamwoord

aai m

  1. streling, liefkozing
    Haar moeder gaf haar een aai over haar hoofd
  2. pijnlijke slag
Synoniemen

[2] aai baffer dreun hengst houw klap knal lel mep opdoffer opdonder opduvel oplawaai oplazer opsodemieter opstopper optater peut poeier ram slag stomp watjekouw

Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aaien

aai

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaien
    Ik aai.
  2. gebiedende wijs van aaien
    Aai!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaien
    Aai je?
Gangbaarheid
99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
aai
geaai
volledig

Werkwoord

aai

  1. aaien

Tussenwerpsel

aai!

  1. ach, ai !


Fries

Zelfstandig naamwoord

aai

  1. ei