aai

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

koningin Beatrix geen een koe een aai
Uitspraak
Woordafbreking
  • aai
enkelvoud meervoud
naamwoord aai aaien
verkleinwoord aaitje aaitjes

Zelfstandig naamwoord

aai m [1]

  1. streling, liefkozing
    • Haar moeder gaf haar een aai over haar hoofd 
    • - Maar de ouderwetse aai, de letterlijke schouderklop of de borstkroel vinden alle honden véél belangrijker. Ze zijn ouderwets. [2] 
  2. pijnlijke slag
Synoniemen

[2] aai, baffer, dreun, hengst, houw, klap, knal, lel, mep, opdoffer, opdonder, opduvel, oplawaai, oplazer, opsodemieter, opstopper, optater, peut, poeier, ram, slag, stomp, watjekouw

Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aaien

aai

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaien
    • Ik aai. 
  2. gebiedende wijs van aaien
    • Aai! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaien
    • Aai je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. NRC Frans van der Helm 14 september 2016

Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
aai
geaai
volledig

Werkwoord

aai

  1. aaien

Tussenwerpsel

aai!

  1. ach, ai !


Fries

Zelfstandig naamwoord

aai

  1. ei