lel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘oorvijg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1924 [1]
  • In de betekenis van ‘lapje (bv. van oor)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lel lellen
verkleinwoord lelletje lelletjes

Zelfstandig naamwoord

lel v/m

  1. klap, mep, oplawaai, schop
    • Hij gaf zijn kameraad een enorme lel toen hij boos was. 
  2. kanjer
    • Iedereen krijgt een lel van een stuk papier om zijn gedachten op te schrijven. 
  3. loshangend stukje vel zoals bij een oorlel
  4. slordige vrouw

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
lellen

lel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lellen
    • Ik lel. 
  2. gebiedende wijs van lellen
    • Lel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lellen
    • Lel je? 

Verwijzingen