opdonder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·don·der

Werkwoord

vervoeging van
opdonderen

opdonder

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opdonderen
    • ... dat ik opdonder. 


enkelvoud meervoud
naamwoord opdonder opdonders
verkleinwoord opdondertje opdondertjes

Zelfstandig naamwoord

opdonder m [1]

  1. een harde klap of vuistslag
    • De gepensioneerde John Griffin kreeg een ’behoorlijke opdonder’ door het hek waar 8000 volt op staat, zo vertelt hij tegen de New Zealand Herald. Maar het werkte wel. „Het was helemaal goed.”[2] 
    • Het opiniestuk begon met de boodschap dat de uiterst rechterflank - overigens is de PVV op enkele vlakken ook behoorlijk links - van ons politieke spectrum een opdonder zou hebben gekregen. Alles in beschouwing genomen hebben er echter nog altijd bijna een half miljoen kiezers extra op de PVV en Forum voor Democratie gestemd.[3] 
    • „Als ook deze landen het groeipad naar boven vinden kunnen ze misschien het spook van het populisme van zich afschudden en een hogere groei realiseren.” Een verkiezing van Marine Le Pen van het Front National tot president van Frankrijk „zou het vertrouwen in heel Europa maar ook internationaal een enorme opdonder geven.”[4] 
  2. opdondertje: een kleine jongen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 30 apr. 2017
  3. de Telegraaf TEEUWE MEVISSEN 31 mrt. 2017
  4. de Telegraaf 23 feb. 2017