aaibaar
Uiterlijk
- aai·baar
- Naamwoord van handeling van aaien met het achtervoegsel -baar.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | aaibaar | aaibaarder | aaibaarst |
| verbogen | aaibare | aaibaardere | aaibaarste |
| partitief | aaibaars | aaibaarders | - |
aaibaar
- mogelijk om te aaien, benaderbaar
- Wilde konijnen zijn niet zo aaibaar als tamme.
- vriendelijk, zacht, warm
- Zij heeft een aaibaar uiterlijk.
- ▸ Het exemplaar dat ik kies is klein, met onschuldige ogen en een zacht mutsje op zijn hoofd. Een guitig, aaibaar vredesoffer.[1]
- Het woord aaibaar staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "aaibaar" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 96 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -baar in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 96 %