Naar inhoud springen

aaibaar

Uit WikiWoordenboek
  • aai·baar
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen aaibaaraaibaarderaaibaarst
verbogen aaibareaaibaardereaaibaarste
partitief aaibaarsaaibaarders-

aaibaar

  1. mogelijk om te aaien, benaderbaar
    • Wilde konijnen zijn niet zo aaibaar als tamme. 
  2. vriendelijk, zacht, warm
    • Zij heeft een aaibaar uiterlijk. 
     Het exemplaar dat ik kies is klein, met onschuldige ogen en een zacht mutsje op zijn hoofd. Een guitig, aaibaar vredesoffer.[1]


99 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[2]
  1. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be