aaibaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aai·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aaibaar aaibaarder aaibaarst
verbogen aaibare aaibaardere aaibaarste
partitief aaibaars aaibaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

aaibaar

  1. mogelijk om te aaien, benaderbaar
    • Wilde konijnen zijn niet zo aaibaar als tamme. 
  2. vriendelijk.
    • Zij heeft een aaibaar uiterlijk. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.