Naar inhoud springen

klap

Uit WikiWoordenboek
  • klap
enkelvoud meervoud
naamwoord klap klappen
verkleinwoord klapje klapjes

deklapm

  1. plotselinge, luidruchtige slag
    • De oude vaas viel met een luide klap in duizend stukken op de vloer uiteen. 
     Ze zet de schoenen met een klap neer, in de hoop dat ze met lawaai iemand naar zich toe roept - of juist wegjaagt.[2]
     ' Maren slaat haar boek met een klap dicht en verlaat de kamer.[2]
     Na een gigantische knal vlak boven ons hoofd stonden de stoere jonge gasten binnen tien seconden ook binnen. Zelfs zij waren zich rot geschrokken van de klap, en beseften dat het nu menens was.[3]
  2. een bestraffing door slagen met de open hand
    • Hij heeft vroeger veel klappen gehad. 
     ' Dat is als een klap in Nella's gezicht, een brutaliteit die geen enkele dienstmeid in Assendelft zich ooit zou permitteren.[2]
     Hij heeft op beide ogen een klap gehad, en de huid eromheen heeft de kleur van uitgebloeide tulpen.[2]

een (flinke) klap uitdelen

vervoeging van
klappen

klap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klappen
    • Ik klap. 
  2. gebiedende wijs van klappen
    • Klap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klappen
    • Klap je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. "klap" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2 3 4
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

klap

  1. kataklop, het galopperen van een paard