toe

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe
Woordherkomst en -opbouw
  • bijwoordelijke vorm van tot
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     toe  
 persoonlijk     ertoe  
aanwijz.   nabij     hiertoe  
  veraf     daartoe  
  vragend/betrekk.     waartoe  

Bijwoord

toe

  1. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord.
    ertoe: hij behoort niet tot die groep ->hij behoort er niet toe.
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    bijv. toezeggen: ik zeg niets toe.
  3. tot ... toe met genitief van een werkwoord
    «... tot bloedens toe.»
    .. totdat men ging bloeden
andere werkwoorden: berstens, rottens, huilens, brakens, bezwijkens, brekens, walgens, lachens, ziens, vindens, bloedens, vervelens, zwichtens, ontbindens, ontbrandens, ontploffens, wordens, stervens, verheugens, bedroevens, bedriegens, blauwwordens, verdrinkens, smorens, ziedens, overstromens, vergaans, vallens, stollens, verblindens, bezwijmens, verachtens, aanbiddens, verkolens, volgens, lijdens, juichens, dodens, luidens
stellend
onverbogen toe
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

toe

  1. dicht, gesloten
    Die deur is toe.

Tussenwerpsel

toe

  1. aansporing
    Toe maar!


Afrikaans

Voegwoord

toe

  1. toen
    «Sestig mense is gister uit die River Club ontruim toe die walle van die Liesbeekrivier in Observatory oorstroom het. »
    Zestig mensen zijn gisteren uit de River Club geëvacueerd, toen de kades van de Liesbeekrivier in Observatory overstroomden.


Engels

enkelvoud meervoud
toe toes

Zelfstandig naamwoord

toe

  1. (anatomie) teen.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /tuː/ (Etsbergs)

Bijvoeglijk naamwoord

toe

  1. dicht

Bijwoord

toe

  1. dicht
    «Dooch dien däör toe
    Doe dit deur dicht!

Persoonlijk voornaamwoord

toe

  1. gemuteerde nominatief van doe.