dicht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dicht
enkelvoud meervoud
naamwoord dicht dichten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dicht o

  1. dichtkunst
  2. (dichtkunst) het resultaat van die dichtkunst, een gedicht
Hyponiemen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dicht dichter dichtst
verbogen dichte dichtere dichtste
partitief dichts dichters -

Bijvoeglijk naamwoord

dicht

  1. nauw aaneengesloten, zonder veel tussenruimte
    De bewolking is erg dicht.
  2. waar niets in of doorheen kan gaan, moeilijk doordringbaar
    De deur is dicht. Het dak is dicht. Na zes uur is de winkel dicht.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] Dicht bij het vuur zitten.
Nauw bij iets betrokken zijn.
  • [1] Dichter tot elkaar komen.
    • Meer tot overeenstemming komen.
  • [1] Dicht bij elkaar staand.
  • [2] Mond dicht!
    • Verzoek om iets geheim te houden.
  • [2] Dicht bebouwd.
  • [2] Een dicht woud.
Hyponiemen
Vertalingen

Bijwoord

dicht

  1. op compacte wijze
    Nederland en Vlaanderen zijn dicht bevolkte gebieden.
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    dichtmaken, dichtdoen: Dat deed de deur dicht.

Werkwoord

vervoeging van
dichten

dicht

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dichten
    Ik dicht.
  2. gebiedende wijs van dichten
    Dicht!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dichten
    Dicht je?
    Ik dicht wel even een Sinterklaasrijmpje.

Werkwoord

vervoeging van
dichten

dicht

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dichten
    Jij dicht.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dichten
    Hij dicht.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van dichten
    Dicht!