dicht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dicht
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dicht | dichten |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
dicht o
- dichtkunst
- (dichtkunst) het resultaat van die dichtkunst, een gedicht
Hyponiemen
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | dicht | dichter | dichtst |
| verbogen | dichte | dichtere | dichtste |
| partitief | dichts | dichters | - |
Bijvoeglijk naamwoord
dicht
- nauw aaneengesloten, zonder veel tussenruimte
- De bewolking is erg dicht.
- waar niets in of doorheen kan gaan, moeilijk doordringbaar
- De deur is dicht. Het dak is dicht. Na zes uur is de winkel dicht.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
- [2] ondoordringbaar
Uitdrukkingen en gezegden
- [1] Dicht bij het vuur zitten.
-
- Nauw bij iets betrokken zijn.
- [1] Dichter tot elkaar komen.
- Meer tot overeenstemming komen.
- [1] Dicht bij elkaar staand.
- [2] Mond dicht!
- Verzoek om iets geheim te houden.
- [2] Dicht bebouwd.
- [2] Een dicht woud.
Hyponiemen
Vertalingen
2. gesloten
Bijwoord
dicht
- op compacte wijze
- Nederland en Vlaanderen zijn dicht bevolkte gebieden.
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- dichtmaken, dichtdoen: Dat deed de deur dicht.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| dichten |
dicht
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dichten
- Ik dicht.
- gebiedende wijs van dichten
- Dicht!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dichten
- Dicht je?
- Ik dicht wel even een Sinterklaasrijmpje.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| dichten |
dicht