toezeggen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- toe·zeg·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| toezeggen |
zegde toe zei toe |
toegezegd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
toezeggen
- (ditransitief) beloven
- Hij had toegezegd deze verandering te zullen ondersteunen.
- Zij hadden dat niet toegezegd gekregen.